In de Tweede Wereldoorlog vonden duizenden onderduikers een veilig onderkomen bij Friese families: Joden, geallieerde piloten, verzetsmensen en mannen die weigerden om te werken in de Duitse oorlogsindustrie. Fryslân DOK reconstrueerde in een drieluik de onderduikhulp aan die mensen. 

Kinderlijnen

De eerste aflevering van het drieluik vertelt het verhaal over de opzet van de ‘kinderlijnen’, de smokkelroutes van Joodse kinderen van Amsterdam naar Fryslân. Drie dominees in Sneek speelden daarbij een belangrijke rol. Zij zorgden ieder in hun eigen kerkelijke gemeente voor onderduikadressen. En zo kregen meer dan 80 Joodse kinderen, waarvan de ouders in bijna alle gevallen werden gedeporteerd, onderdak in Súdwest-Fryslân. Een van die kinderen is Lea Tropp, die als 4-jarig meisje vanuit Amsterdam bij een bakkersfamilie in Abbega terechtkwam. Samen met haar onderduikzusters Klaske (84) en Annie (81) vertelt ze over die tijd en hoe ze nog altijd contact hebben. "Lea is ons zusje, anders kunnen wij het zien", zo zeggen ze.

 

Friese dorpen

Er bestaat al jaren een beeld dat het onderduiken altijd in het grootste geheim plaatsvond. Uit deze documentaireserie blijkt dat dat helemaal niet het geval was. Vooral in de Friese dorpen wist het hele dorp wel waar de onderduikers zaten. Veel mensen droegen hun steentje bij en dus ontstond er een grootschalige illegale onderduikmaatschappij. 

 Uitzending twee gaat over de unieke positie die de Friese belastingdienst innam bij de financiering van het onderduiken. Onder leiding van hoofd-belastinginspecteur Jan Evenhuis uit Leeuwarden sluisde het personeel van Friese belastingkantoren miljoenen door naar het verzet voor hulp aan onderduikers. 

Knokploegen

In uitzending drie staan knokploegen centraal.  Zorgden in het noordelijke en oostelijke deel van Fryslân vooral belastinginspecteurs voor de aanvoer van voedsel en de financiering van de onderduikhulp, in het zuidwesten deden vooral knokploegen dat, door overvallen op distributiekantoren, gemeentehuizen en zuivelfabriken. De meest actieve knokploeg opereerden vanuit Scharnegoutum, dat door de Duitsers het Terroristendorf genoemd werd.